|
|
dépasser bewältigen, entern, überflügeln, übergeben, überragen, übersteigen, übertreffen, übertreten, vorstehen, überholen inhalen, langsgaan, overgaan, overlopen, oversteken, overtreffen, overtrekken, passeren, tebovengaan, uitblinken, uitmunten, uitspringen, uitstaan, uitsteken, voorbijgaan, voorbijlopen, voorbijrijden, voorbijstreven, voorbijvaren, vooruitspringen, vooruitsteken, langer duren (dan), overschrijden, te boven gaan, voorbijgaan, voorbijschieten, voorbijstreven חרג (פ'), עבר עליו, חָרַג exceder, adelantar exceder exceder, ultrapassar ξεπερνώ, προσπερνώ, υπερβαίνω eccedere, oltrepassare, passare, scavalcare, sovrastare, superare, trascendere يَفوق předjet overhale ohittaa preticati 追い越す 추월하다 innhente wyminąć обгонять köra om ไล่ตามทัน sollamak vượt 超过 超過 надвишава dépasser [depɑse] vt (= dérouter) → to be beyondCela me dépasse → It's beyond me. vi [ jupon] → to show [depɑse] vpr/vi [ artiste, sportif] → to excel o.s.
Ajouter à iGoogle
Contenu site web gratuit - Outils webmestre
|
|